In het oude café aan de rand van het dorp stond een statige, groene tafel onder warm geel licht. Geen gaten, geen randen om ballen in te laten verdwijnen. Alleen laken, drie ballen en stilte. Dit was de wereld van het libre biljart.
Elke donderdagavond kwam Arend er spelen. Geen groot kampioen, geen man van prijzen en bekers — maar iemand die begreep dat libre meer was dan een spel. Het was geduld. Ritme. Ademhaling.
Zijn tegenstander die avond was Victor, een jonge speler met snelle handen en een nog snellere ambitie. Hij tikte onrustig met zijn keu op de vloer terwijl Arend het laken inspecteerde, alsof hij een oude vriend begroette.
“Drie ballen,” zei Arend zacht. “Meer heb je niet nodig.”
De rode bal lag halverwege de tafel. De witte van Arend dicht bij de band. De gele van Victor aan de overkant. Libre: geen beperkingen, geen kaders. Je mocht blijven caramboleren zolang je controle hield. Het spel was vrijheid — maar ook verantwoordelijkheid.
Arend nam zijn eerste stoot. Zacht. Zijn witte bal raakte rood, gleed door naar geel en kwam terug om opnieuw rood te kussen. Een carambole. Punt.
Victor keek verrast. “Dat was… langzaam.”
Arend glimlachte. “Libre gaat niet om snelheid. Het gaat om blijven.”
Hij bouwde zijn serie op zoals een componist een melodie schrijft. Korte tikken. Dunne snedes. De ballen bleven dicht bij elkaar, dansend in een klein gebied van het laken. Het publiek — drie stamgasten aan de bar — werd stiller naarmate de reeks groeide.
Tien punten. Vijftien. Tweeëntwintig.
Victor voelde de druk. Toen hij eindelijk aan tafel kwam, speelde hij agressief. Hardere stoten, grotere hoeken. Prachtige caramboles — maar na vijf punten verloor hij controle. De rode bal rolde weg naar de verre band. Einde beurt.
Arend knikte bijna onzichtbaar. Hij wist dat libre geen strijd was tegen je tegenstander, maar tegen je eigen ongeduld.
Toen hij bij negenentwintig punten stond — één punt verwijderd van winst — gebeurde het onverwachte. Zijn witte bal tikte rood perfect, maar miste geel op een haar na. Een zeldzame fout.
Victor kreeg zijn kans. En deze keer speelde hij anders. Zachter. Rustiger. Hij keek hoe Arend had gespeeld. Hij liet de ballen samenkomen, hield ze dichtbij. Punt na punt groeide zijn serie.
Vijfentwintig. Zevenentwintig. Achtentwintig.
Het café hield de adem in.
Met een bijna fluisterende stoot raakte Victor rood, dan geel — en liet zijn bal precies in positie liggen voor nog één eenvoudige carambole.
Dertig.
Stilte. Toen applaus van de bar.
Arend legde zijn keu neer en glimlachte oprecht. “Nu speel je libre,” zei hij.
Victor knikte. Hij begreep het eindelijk. Niet winnen maakte het spel mooi. Maar het moment waarop de ballen leken te luisteren.
Buiten waaide de wind langs de ramen. Binnen lagen drie ballen stil op het groene laken — alsof ze wisten dat ze zojuist deel waren geweest van iets groters dan een wedstrijd.